|
|||||||
Frans Van Rompaey, schapenfokker 'Eerst sta je erop te kijken als een koekoek'
Weliswaar geboren in de provincie Antwerpen geraakte Frans Van Rompaey door huwelijkse toestanden in Limburg verzeild. Zich aanvankelijk nestelend in het centrum van Sint-Truiden, lag het bijna voor de hand dat deze regent plastische opvoeding een artistieke carrière zou uitbouwen, wat hij overigens ook deed. Nog aarzelend tussen tekenen en schilderen – Van Rompaey werd ook geselekteerd voor de tweejaarlijkse prijs van de provincie Limburg – was het toch met cartoons dat hij zich als ‘sNARf’ op zeer korte tijd in de belangstelling wekte. Naast tentoonstellingen werd werk van hem gepubliceerd in plaatselijke reklamebladen, in deze eigenste krant, in Sportmagazine, in ’t Pallieterke, in het Belang van Limburg, en hoorde hij bovendien ooit bij de inzendingen voor Knokke. Wat veelbelovend heette, brak hij zelf abrupt af. Frans ging schapen houden. Neen, niet de idyllische toer op, mat een stuk weide om de beestjes in te houden. Wel integendeel! In een overigens moderne woning in het groene Haspengouw ging hij zich toeleggen op het fokken van schapen. Dat zulks niet zonder sukses gebeurde mogen blijken uit de talrijke gouden, zilveren en bronzen medailles die hij met zijn kudde haalde bij diverse provinciale, interprovinciale en nationale wedstrijden. Met Van Rompaey gingen we praten over het waarom van zijn keuze, over de grens en het evenwicht tussen menselijk ingrijpen en natuurlijke selektie, over de kick van de wedstrijddeelname, over business en passie voor een beest. Toeval
Het stuk grond achter het huis dat Van Rompaey enkele jaren geleden bouwde buiten Sint-Truiden midden in het groene Haspengouw, is niet klein. Juist dat lag voor hem aan de basis van zijn hele schapengedoe, zoals hij het zelf wel eens noemt. ‘Zo simpel is dat’, legt hij uit. ‘Mijn broer heeft ook zo’n lap grond en die maakte daar een gazon van. Toen ik zag hoeveel tijd je nodig hebt om zoiets af te rijden, ben ik hier in de buurt eens een paar schapen gaan vragen. Dat is nu negen jaar geleden. Wel, ik kende er toen niets van. Ik wist niets van het ras, want het waren toevallig twee rasschapen, wist zelfs niets van het schaap in het algemeen. Maar toch ga je je wat vragen stellen. Die beesten liepen hier rond en de buren kwamen al eens zeggen dat ik ze moest ontwormen of zo... Ik wist niet eens waarover ze het hadden.’ Van Rompaey voegt eraan toe dat men hem zeker niet had moeten vertellen dat hij ooit nog schapenfokker zou worden. ‘Ja, hoe komt dat? Je gaat links en rechts eens kijken. Vlakbij, in Sint-Truiden was er de veeteeltshow en je gaat daar eens rondhangen. Het eerste jaar sta je erop te kijken als een koekoek. Het tweede jaar wil je wel eens weten wat voor schapen je zelf hebt, want die dieren worden gekeurd volgens een standaard. Er zijn normen die zeggen wat nu een good ‘suffolk-schaap’ is: de rug, de kleur en de struktuur van de wol, de gespierdheid, ...’ Met ‘suffolk’ bedoelt Frans Van Rompaey een van de drie door de schapenbond erkende rassen. De Suffolk, in essentie een schaap dat gekweekt wordt voor het vlees, is in Engeland het meest gegeerde schaap voor kruisingen. Bij Van Rompaey is ook de kruising het belangrijkste, maar niet met de bedoeling beter en dus duurder verkoopbaar vlees te bereiken. ‘Neen, absoluut niet’, getuigt Van Rompaey, ‘vergelijk het met paardenfokkerij. Dat is een bezigheid die je ook om verschillende redenen en op verschillende wijzen kan beoefenen. Je kan met die paarden rijden of springen, je kan ze laten grazen of laten deelnemen aan renwedstrijden. Met schapen kan je e richten op het vlees (op de handel, dus) of zuiver op het ras. Dat is wat ik wil: een schoon beest fokken, proberen daarin zo ver mogelijk te gaan door het te verzorgen, het ras te verbeteren. En die wedstrijden, die komen erbij. Als dat er tien per jaar zijn, moet je wel bedenken dat er nog 355 dagen overblijven en die schapen er ook zijn. Je doet dat niet voor die wedstrijd. Je doet dat omat je die beesten graag ziet. Door die wedstrijd kan je je wel een beter beeld vormen van waar je zelf met je dieren staat. Ik wil alleen een schoon en goed schaap, net zoals je een mooie tekening wil. Als buitenstaander begrijp je dat misschien niet, een schoon schaap, dat type, die schouders, zulke poten...’ KontradiktieHet klinkt al bij al misschien toch nog wat idyllisch. Heel anders wordt de toon als we het hebben over de ingreep van de mens in de natuur bij het fokken van dieren.
Toch geeft Van Rompaey zonder moeite toe dat ook de schapenfokkerij niet ‘puur natuur’ is. ‘Je wil je dieren toch verzorgen. Goed, ik hou van die beesten. Je kan dus zeggen: ontwormen, waarom zou je? De natuur zal zelf wel selekteren. Maar dat kan je toch niet maken. Ik ken zo iemand hoor. Zijn schapen lopen in het wild en trekken hun plan. Ze zien zwart van de mest en af en toe ligt er zomaar eentje dood in de wei. Bij geboortes is het net herzelfde. Je moet daar niet bij zijn, maar als je door je aanwezigheid er drie of vijf kan redden is dat toch verantwoord. Ik vraag me trouwens af of die andere dieren niet meer afzien dan deze, zo’n schaap bij voorbeeld dat met wormen zit.’ Voor Van Rompaey blijft het een kwestie van het ‘redelijke evenwicht’. Wat dat nu juist is probeert ook hij nog uit te maken. Een beetje tegen zijn zin laat hij zijn ooien een ‘sponske’ aanbrengen, waardoor de eisprong wordt vertraagd, zodat de dieren op hetzelfde ogenblik gedekt kunnen worden en op hetzelfde moment zullen lammeren. Voor hem is dat de limiet. ‘Ja, ja’, zucht Van Rompaey, ‘ik heb het daar al erg moeilijk mee. Wil je echter nog een vergelijk hebben met andere fokkerijen, dan moeten de dieren ook ongeveer even oud zijn, vandaar die ingreep. Dat is echter niets vergeleken met de andere rassen. In de Suffolk zit dat evenwicht nog. Van onze vrienden mag ik eigenlijk niet spreken heè, maar neem nu de Texels, de meest verspreide vleesschapen hier in België. Wel daarmee hebben ze die dikbillen in ’t klein nagebootst. Twintig jaar geleden zijn ze daarmee begonnen. Die hebben alleen gekeken naar dat ‘billeke’ dat afhangt vanachter. Die hebben gezien dat er een schone zware kop op staat. En het lijf ertussen, waar het eigenlijk om gaat, dat hebben ze vergeten. KickHoewel België absoluut geen uitgesproken schapenland is, wordt de belangstelling voor het fokken van deze dieren wel groter. ‘Dat klopt’, verduidelijkt Van Rompaey, ‘met zo’n 300.000 dieren – volgens de landbouwtelling – zitten we ver onder het miljoen van Nederland, de 25 miljoen van Engeland en dan zwijg ik nog over de 60 miljoen van Nieuw-Zeeland. Ooit was dat wel anders en liepen hier meer schapen. De melk werd gedronken, het vlees gegeten en de wol gebruikt. Door de welstand en het gebrek aan oppervlakte zocht men naar iets dat meer rendeerde, koeien dus. Door al de overschotten in deze sektor en door de vaststelling dat zowat alle schapevlees en wol in België worden ingevoerd, wordt de schapekweek opnieuw gepousseerd.’ Toch is het niet deze evolutie die Van Rompaey ertoe drijft verder te doen. ‘Och, soms heb ik er zelfs spijt van, hoor, dat ik niet verder ben gegaan in het schilderen of met cartoons. Dat wordt me wel eens verweten zelfs, net zoals het feit dat ik mij hier opsluit, omdat ik nooit reis en hier aan de stal gebonden ben. Ze noemen dat kortzichtig. Ik vind echter dat iedereen zijn gang maar moet gaan.
Tekst: Peter Grypdonck
|